Het Joodse vluchtelingenkamp deel 2

Het verblijf in het R.V.S. kamp duurt tot april 1939, dan wordt het kamp overgenomen door Mariniers i.v.m. de voormobilisatie. Honderd van de vluchtelingen worden overgebracht naar Hellevoetsluis, waar ook een kamp is, en 50 naar een kamp in Reuver. De overgebleven 100 vluchtelingen nemen hun intrek in de gebouwen van de voormalige exportslachterij ‘Vianda’. Deze stond aan de Slachthuisweg, ten oosten van de huidige DSM.

In eerste instantie verblijven ze in de directeurswoning, totdat de hallen door henzelf genoeg zijn opgeknapt om daar hun intrek in te nemen. Overal moet voor gezorgd worden: vloeren, bedden, beddengoed, electriciteit.
Omdat er geen badgelegenheid is, vraagt de commandant van het kamp toestemming om van de badinrichting in de Vakantieschool, waar zij eerst verbleven, gebruik te mogen maken. Maar de commandant van de Mariniers is hier op tegen. Uiteindelijk krijgen ze van de garnizoenscommandant toestemming om elke donderdag een bad te mogen nemen in de garnizoensbadinrichting (het kleine gebouwtje naast de Torpedoloods).

Een jongeman uit Wenen, Dan Kampelmacher, komt via Veenhuizen en Hellevoetsluis voor een aantal maanden in Vianda terecht. In zijn boek, ‘Gevecht om te Overleven’ beschrijft hij het kamp. Er was een ‘lange centrale gang met aan weerszijden grote slaapzalen. In de muren zaten nog de vleeshaken, waarvan wij gebruik maakten om onze kleren op te hangen. De bedden stonden in lange rijen naast elkaar, in ruimten die nogal donker waren doordat de kleine ramen van de vroegere slachthallen tamelijk hoog zaten waardoor er weinig licht binnenkwam […] Het gehele terrein was omgeven door een groot hek en wij konden ons buiten de gebouwen slechts op een groot voorplein vrij bewegen’.
Het valt de mannen op dat er een aantal mannen in een klein gebouw gescheiden van de rest worden gehouden. Al snel komen ze er achter dat dit Duitse deserteurs zijn. Ze kunnen door een hoog hek met hen praten, maar houden zich afzijdig van hen: ‘[er] heerste een uitgesproken angst voor de ‘Duitsers'[…]’.
Het valt, zo schrijft hij, de vluchtelingen zwaar om op een afstand van amper 50 meter, regelmatig de passagiersschepen van de Holland-Amerika Lijn voorbij te zien komen, op weg naar New York en de vrijheid.
In oktober laat de kampleiding ijzeren kachels komen om de slaapzalen en eetzaal te verwarmen. Er worden vrijwilligers gezocht voor het verzorgen van de kachels, de aanvoer van kolen en het regelmatig onderhouden van het vuur. Kampelmacher meldt zich aan en wordt benoemd tot ‘Oberheizmeister’. Er is een vervanger van hem die ‘Unterheizmeister’ wordt en tevens zijn er enkele ‘Heizmeister-Hilfgesellen’ die voornamelijk belast worden met de aanvoer van de kolen.
Zijn taak als ‘baas’ bestaat eruit de kachels te inspecteren en ervoor te zorgen dat de ruimtes behaaglijk verwarmd worden.
Hiervoor wordt hij beloond met 4 eieren per week uit de kampwinkel (een kantine in de centrale gang. De vluchtelingen krijgen 40 cent zakgeld per week en kunnen hier voornamelijk tabaksartikelen en snoepgoed voor kopen).
Hij heeft hier evenwel ‘geen bestemming’ voor en laat zich uitbetalen, waardoor hij 3 cent per ei krijgt en zijn zakgeld van 40 naar 52 cent per week gaat.
Begin november wordt zijn verzoek tot overplaatsing naar het Dommelhuis in Eindhoven ingewilligd, een gezellentehuis van Philips, waar nu jonge mannelijke vluchtelingen worden ondergebracht. Hij is ‘blij het sombere Hoek van Holland te kunnen verlaten’**

In mei worden er kamervragen gesteld over de toestand in het kamp.

Het leven neemt weer zijn gewone aanvang; er wordt een sportdag gehouden, de geboorte van Prinses Irene wordt gevierd met een cabaretavond. De kampen Nunspeet, Hellevoetsluis en Reuver gaan dicht, de bewoners daarvan worden naar de Hoek overgebracht waardoor het aantal vluchtelingen verdubbelt tot meer dan 450.

Op 28 augustus 1939 wordt de mobilisatie afgekondigd. Kapitein Schol vertrekt uit het kamp naar zijn mobilisatiebestemming waardoor 1e Luitenant  Haan de leiding over het kamp krijgt. Er worden schuilloopgraven gegraven en maatregelen getroffen om in geval van luchtalarm het kamp te kunnen verduisteren.

Ook worden regelmatig grote groepen vluchtelingen als ‘handlangers’ van de positiecommandant ter beschikking gesteld. De vluchteling Werner Bloch, die vanuit Reuver was overgeplaatst, vertelt hierover: ‘Ik heb op zichzelf nog een leuke tijd in Hoek van Holland gehad, want het leger vroeg vrijwilligers voor het gereedmaken van de verdedigingslinies. Ik heb me meteen opgegeven. We kregen een legeruniform als werkkleding. Elke ochtend werden we met vrachtwagens afgehaald om onder andere prikkeldraadversperringen -zogenaamde ‘Spaanse ruiters’- aan te leggen en onderkomens van zand te bouwen. Ik voelde mij niet echt meer een vluchteling en was trots dat ik mee kon werken aan versperringen die zouden worden gebruikt tegen de Duitsers, waarvoor wij net gevlucht waren.’***

Begin september wordt er vanuit het kamp een telegram naar de Minister van Justitie gestuurd, met het verzoek om ingezet te mogen worden bij arbeid ten behoeve van de mobilisatie. De vluchtelingen schrijven dat zij zo hun dankbaarheid willen laten blijken voor de opvang en verzorging die ze krijgen. De Minister vraagt Luitenant  Haan aan de vluchtelingen mee te delen dat hij geen aanleiding kan vinden om van hun aangeboden diensten gebruik te maken.
Toch is er werk door ze verricht, zoals hierboven al beschreven. Luitenant Haan schrijft hier op 12 december 1939 over in een brief aan Mr. Smeets, regeringsgemachtigde voor de onderbrenging van Joodse vluchtelingen. Er zijn door zo’n 20 tot 100 man graafwerkzaamheden verricht evenals versperringen gemaakt. Ook hebben vluchtelingen de commandopost van de Positiecommandant ingericht en heeft een groep van hen briketten gelost. En daar wordt over geklaagd door inwoners van de Hoek:

‘Waarschijnlijk is de klacht, ingediend bij den Minister van Sociale Zaken, door het verrichten der laatstgenoemde werkzaamheden [het lossen van de briketten, MV] ingegeven, gezien ook de instantie waarvan de klacht is uitgegaan.

Zooals ik UHoogEdelgestrenge reeds telefonisch meededeelde, was het mij bekend, dat vooral tegen het lossen van briketten door vluchtelingen onder de bewoners van Hoek van Holland is geopponeerd. De werkzaamheden geschiedden voordien door militair personeel (Marine of Landmacht) en geschieden, voorzoover mij bekend, ook nadien door militair personeel (Marine) en niet door burgerpersoneel.

Voor al deze werkzaamheden hebben de vluchtelingen vrijwel geen vergoeding ontvangen. Overigens zijn vele vluchtelingen door deze werkzaamheden behoed voor leegloopen, daar hierdoor zelfs in den tijd van de grootste bezetting van het Kamp vrijwel alle vluchtelingen aan het werk waren. Het spreekt vanzelf, dat het voor de vluchtelingen het allerbeste is, indien zij regelmatig arbeid hebben, terwijl het tijdens de grootste bezetting van het Kamp niet mogelijk was alle vluchtelingen te werk te stellen bij de werkzaamheden in het Kamp.’1

Ook wordt er door de Joden een telegram naar de Minister van Justitie gestuurd, waarin zij het verzoek doen een aantal dagen vrij te mogen zijn om het Joodse Nieuwjaar, dat dit jaar op de 14e, 15e en 16e van deze maand valt, te mogen vieren. De Minister antwoordt dat hij dit verzoek, vanwege de ‘buitengewone tijdsomstandigheden’, niet kan inwilligen.°

In oktober worden enige kampbewoners beschuldigd van spionage, omdat ze met hun camera’s foto’s zouden hebben genomen van verdedigingswerken. Na onderzoek door een detachement Mariniers en de Militaire Politie en het laten ontwikkelen van de films blijkt dit onjuist te zijn.

In november heerst er een zeer depressieve stemming in het kamp, omdat nog in Duitsland verblijvende echtgenotes en kinderen deportatie naar Polen boven het hoofd hangt. Ook heerst er ‘stemming’ onder de Joodse vluchtelingen jegens de Duitse deserteurs, daar zij hen zien als mensen aan ‘wier handen Jodenbloed kleeft’°°. Haan schrijft dat dit tot nu toe geen gevolgen heeft gehad omdat hij niet toelaat dat de Joden hun gevoelens de vrije loop zouden laten. Ze houden zich afzijdig van de deserteurs, evenals van andere, politieke, vluchtelingen.

Enige tijd later wordt bekend dat men naar het interneringskamp Westerbork overgeplaatst zou gaan worden. Ook dit brengt veel onrust met zich mee, omdat dit kamp dicht bij de Duitse grens ligt en het ook ver van de bewoonde wereld af ligt.

4 deserteurs proberen deze maand te ontsnappen, maar worden gepakt en naar Rotterdam overgebracht. De deserteurs en dienstweigeraars zitten in het kamp in een zgn. gesloten depot. Dit betekent dat zij de hele dag in een apart gebouw, later een grote slaapzaal, opgesloten zitten, afgezien van 2 keer luchten per dag. Zij, en enkele andere geïnterneerden die hier ook in verblijven, worden door dit incident de hele dag achter slot en grendel gezet. Dit ook omdat er geen omheining om het kamp is en het voor hen zo makkelijker is om te vluchten.

Aan het eind van het jaar, op 20 december, wordt de bewegingsvrijheid van de vluchtelingen op last van de commandant van de Vesting Holland ingeperkt. De positie Hoek van Holland wordt voor hen, behalve tussen 09.00-12.00u en 13.00-18.00u, ontoegankelijk. Ze zijn hier nogal verbolgen over, vooral gezien het feit dat de militaire autoriteiten van hun hulp gebruik heeft gemaakt bij het ‘uitvoeren van werken ten dienste der defensie’. Het gebied dat voor hen verboden wordt, is als volgt: aan de oostzijde wordt het begrensd door de Krimsloot, aan de noordzijde door de Nieuwlandsedijk, ‘s-Gravenzandseweg, Schelpweg en het slag nabij paal 117, ten westen door de Noordzee en ten zuiden door de Nieuwe Waterweg°°°.

In februari komt er eindelijk een eigen badinrichting gereed.

De commandant dringt regelmatig aan op het laten plaatsen van een afrastering omdat, nadat alle Joodse vluchtelingen naar Westerbork zijn gebracht, het de bedoeling is het kamp alleen nog te gebruiken voor politieke vluchtelingen en deserteurs.

Begin maart krijgt de Hoekse aannemer Phulp Oprel de opdracht om een afrastering te maken aan de noordzijde van het terrein.
Een week later wordt er aanvang genomen met het maken van een gedeeltelijke afrastering. Tevens vangen de eerste transporten naar Westerbork aan. De geïnterneerden zijn hier niet meer zo fel tegen gekant, omdat er daar meer bewegingsvrijheid zou zijn dan ze op dat moment in Hoek van Holland genieten.

En dan is het mei 1940. Het kamp heeft erge last van de beschietingen van de artillerie, en de bewoners zitten dan ook het grootste deel van de dag in de schuilloopgraven.
Omdat er geen water meer wordt aangevoerd (drinkwater kwam voor Hoek van Holland lange tijd met een boot vanuit Rotterdam) en er ook gebrek aan brood is, waarbij men geen mogelijkheid ziet om aan deze te komen, besluit commandant Haan in de avond van 13 mei, na telefonisch overleg met de burgemeester van ‘s-Gravenzande, om naar de Bollenveiling Floralia in die plaats te evacueren. Ze verblijven hier enkele dagen in redelijke omstandigheden, al krijgen ze alleen broodmaaltijden.

Op 14 mei wordt de capitulatie van Nederland bekend, en Haan verwacht dat het kamp door de Duitsers bezet zal worden.
In Hoek van Holland zijn sinds het uitbreken van de gevechten Engelse troepen aanwezig, dit zijn zgn. vernielingsploegen. Zij moeten de olieopslag bij Pernis vernielen zodat deze niet in Duitse handen zou vallen. Op deze dag vertrekken zij met Duitse krijgsgevangenen en Nederlandse vluchtelingen naar Engeland. Voor de Joden (en Duitse deserteurs) is geen plaats.

De bankiersvrouw Truus Wijsmuller probeert op 15 mei de Joden nog vrij te krijgen, ze gaat persoonlijk naar de commandant en vraagt hem of ze hen vrij wil laten, maar hij doet dit niet.

Op 17 mei schrijft Haan dat sinds vermoedelijk de vorige ochtend, negen deserteurs zijn gevlucht. Aan het eind van de middag keren de geïnterneerden terug naar Hoek van Holland, omdat de burgemeester van ‘s-Gravenzande, in een brief aan de commandant van de Duitse bezetter in Hoek van Holland, laat weten dat men weer de beschikking over het veilinggebouw wil hebben. Men gaat onder Duitse militaire begeleiding terug.
10 deserteurs worden door de Duitse militaire autoriteiten uit het kamp weggehaald (volgens een later opgemaakte lijst gaat het om 16 personen, waaronder zeker 14 deserteurs)

Op 18 en 19 mei worden 3 van de gevluchte deserteurs teruggebracht door de Hollandse politie. Toen dat ontdekt werd, werden de overige deserteurs in het Fort opgesloten.
Op de 18e wordt de bewaking van het kamp, dat vanaf de 15e door een Duits detachement bewakingstroepen werd gedaan, overgenomen door Hollandse Rijksveldwachters.

Op 19 mei wordt de in Nederland geboren geïnterneerde Arnold Sellbach vermist, aangenomen wordt dat hij zich in de Waterweg heeft verdronken.
Commandant Haan neemt persoonlijk contact op met de commandant van de Duitse bezettingstroepen om te bespreken wat er moet gebeuren. Als hij daar aan komt ziet hij een colonne autobussen staan. Er wordt hem door enkele officieren verzocht met deze bussen mee terug naar het kamp te rijden. Daar aangekomen moeten de overige 113 geïnterneerden in de bussen stappen en worden, met onbekende bestemming, weggevoerd (Ze worden even naar het Fort gebracht, soldaten van het Fort zien hen nl. in de Fortgracht staan)
Over het lot van deze mensen (voor zover bekend) en enkele deserteurs meer in een volgende blogpost.

Het vluchtelingenkamp houdt op te bestaan. Luitenant Haan komt hierna weer onder kapitein Schol te werken in het kamp Westerbork.

Op 14 mei was Rotterdam gebombardeerd. Vele Rotterdammers worden hierdoor dakloos. Er worden in de stad noodwoningen gebouwd voor gezinnen, vrijgezellen vinden in Vianda onderdak. Het kamp is dan omheind en men kan er alleen via een controlepost in of uit. De Rijksveldwachters blijven zorg voor de bewaking dragen.
In 1942 wordt het kamp op last van de Duitsers gevorderd omdat ze een aanvang nemen met de bouw van de Atlantikwall. Het kamp wordt een O.T. Lager (Organisation Todt, verantwoordelijk voor de bunkerbouw) en de arbeiders die aan de Atlantikwall werken krijgen hier onderdak. De Rotterdammers gaan naar Gouda en Schiedam.
Na de oorlog worden er NSB’ers en politieke gevangenen geïnterneerd en wordt het kamp bewaakt door mannen van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten).
Het kamp wordt in 1947 gesloten. Het terrein worden overgenomen door de kunstharsfabriek N.V. Chemische Industrie Synres.
Een loods en een deel van het voormalige kamp wordt nog tot 1969 door de Koninklijke Marine als opslagplaats gebruikt. In 1992 wordt de loods gesloopt, waardoor er heden ten dage niets meer terug te vinden is van het vluchtelingenkamp.

—————————————————————————————————-

* Voor een beschrijving van hoe het er hierbij aan toegaat, zie ‘Dan Kampelmacher, Gevecht om te Overleven, mijn diaspora na de Anschluss’ ‘ blz 121-131. Hij komt in Veenhuizen terecht.

** Dan Kampelmacher, Gevecht om te Overleven, mijn diaspora na de Anschluss’ blz 153-155

*** Gino Huiskes, Vluchtelingenkamp Westerbork, blz. 54, via http://books.google.nl/books?id=B-TusJwOF88C&printsec=frontcover&hl=nl#v=onepage&q&f=false

1Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken: Opperleiding der Nieuwe Vluchtelingenkampen en Interneringsdepot, 1917-1940, nummer toegang 2.04.78, inventarisnummer 18

°Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Rijksvreemdelingendienst (RVD) en Taakvoorgangers, nummer toegang 2.09.45, inventarisnummer 1762, 1763
°° NL-HaNA, Justitie / Rijksvreemdelingendienst, 2.09.45, inv.nr 1767, weekrapport over het tijdvak van 30 oktober t/m 5 november 1939
°°° NL-HaNA, Justitie / Rijksvreemdelingendienst, 2.09.45, inv.nr 1767, weekrapport over het tijdvak van 18 t/m 24 december en: afschrift van de Algemeene Bekendmaking No 5 van den Commandant der Vesting Holland

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Overige geraadpleegde bronnen:

Dick Ruis en Leon Buijnsters, Nederland Ongastvrij, artikel gepubliceerd in het politieblad Districtsblad Waterweg, mei 2000

Via het kranten archief van de Koninklijke Bibliotheek, http://kranten.kb.nl:
Zaans Volksblad

Truus Wijsmuller-Meijer, Geen Tijd voor Tranen

NL-HaNA, Justitie / Rijksvreemdelingendienst, 2.09.45, inv.nrs 1762, 1763, 1766, 1767, 1775, 1778.

Reserve-kapitein J. Schol wordt in mei ’40 commandant van Westerbork. Meer over hem: http://www.holocaust-lestweforget.com/jacques-scholdutch.html

Voor meer over het Nederlands vluchtelingenbeleid en Westerbork: http://www.go2war2.nl/artikel/1427/Kamp-Westerbork.htm?page=2 en http://www.kampwesterbork.nl/nl/geschiedenis/vluchtelingenkamp/index.html

Voor meer over de Kristallnacht: http://www.ushmm.org/wlc/en/article.php?ModuleId=10005201

Voor meer over het Joodse emigratiebeleid van Duitsland: http://www.ushmm.org/wlc/en/article.php?ModuleId=10005468