Herinneringen aan de 15e Reserve Grenscompagnie (2)

Zeerust; de ‘kazematziekte’; Sunny Home

De secties van de compagnie installeren zich in hun legeringsplaatsen.
De mannen van de 2e sectie die bij de Mariniers in het R.V.S. kamp zitten, worden door de kapitein van de Mariniers bij de kampwacht betrokken.
De mannen van de 4e sectie, die in de school aan de Strandweg bij de soldaten van Batterij V zitten, gaan na 2 dagen naar de fietsenloods van van Nielen, achter café restaurant Hoek van Holland. Ondanks allerlei aanpassingen en het dichten van tochtgaten lukt het niet om deze loods aan de mininum eisen te laten voldoen die gelden voor een verblijf van zo’n 40 soldaten, maar er was simpelweg niets anders dat beschikbaar kon worden gesteld.

De luitenants Hein Waalwijk en Willy van de Poel zitten met 2 secties op Zeerust.
Ze betrekken een huisje met de naam Tida Kira, wat ‘Nooit Gedacht’ betekent. Hier brengen ze vele avonden filosoferend over de ‘soldatenziel’ door.
De soldaten betrekken een grote schuur, die de eigenaar en exploitant van het kampwarenhuis, dhr. Tuit, nog leeg moet maken. De onderofficieren wensen niet bij de soldaten te slapen en regelen een eigen loodsje.

Op de eerste ochtend zien Waalwijk en van de Poel dat er nogal houterig geëxerceerd wordt. Als Waalwijk zegt dat ze maar veel moeten exerceren wordt van de Poel boos en zegt: ‘ “wij gaan graven”. Willy heeft, zooals we het later noemden, de kazematziekte. Hij wil graven en zijn eerste teleurstelling op dat gebied krijgt hij op Zeerust’.
Waalwijk verzucht : ‘Natuurlijk, wij moeten graven! Wij moeten gevechtsopstellingen bouwen. Maar als ik later nog eens een zoon zal hebben, wien ik op lange winteravonden moet vertellen van de mobilisatie 1940, […] en van kazematten maken, hoop ik, dat hij mij nooit vraagt: Vader, in hoeveel dagen had jij je eerste kazemat gereed? Mocht hij mij deze vraag toch stellen, dan kan ik hem, geloof ik, het beste naar bed sturen. Of moet ik hem naar waarheid zeggen: Jongen, het heeft ruim een maand geduurd voor we toestemming kregen in het duin te graven.’

Terwijl Waalwijk op die eerste ochtend naar het compagniesbureau gaat om te kijken of er nieuws over de algemene toestand is, komt er een opzichter van Delfland langs op Zeerust. Deze verbiedt hen simpelweg om ook maar één spade in de grond te steken: ‘En Delfland is machtig. Machtiger dan Defensie […] Wij verklaren eensgezind Delfland tot onzen gemeenschappelijken vijand’.
Maar de mitrailleurs kunnen niet zomaar op het duin gezet worden en blootgesteld aan de weersinvloeden, waardoor ze wellicht op hét moment niet bruikbaar zouden zijn. Ze besluiten dan ook om tentzeiltjes om de mitrailleur te plaatsen, waar de schutter dan onder kan zitten terwijl de helper wacht loopt op het duin.
‘s-Avonds bespreken ze dit met de compagniescommandant. Hij legt uit dat het Hoogheemraadschap er verantwoordelijk voor is dat de duinen als zeewering blijven dienen, en er eerst toestemming gevraagd moeten worden. Die zal er ook wel komen, maar de luitenants vragen zich vertwijfeld af waarom er niet van te voren overleg gepleegd had kunnen worden tussen defensie en Delfland: ‘Het mobilisatie-bevel sprak toch van: direct na aankomst gevechtsopstellingen inrichten?’

Het materiaal dat nodig is om verdedigingswerken te bouwen, is niet aanwezig. Pas na een maand kan aan de bouw van de eerste kazemat begonnen worden (zij hebben het hier over ‘kazematten’, maar dit zijn niet de betonnen werken. Deze werden wel in de Hoek gebouwd maar niet door hen). Het ontbreekt de compagnie vaak gewoonweg aan materiaal om verdedigingswerken te bouwen, zoals hout, timmergereedschap, spijkers en carbolineum. In de eerste dagen gaan ze dan ook maar naar Rotterdam,  om daar 2000 zandzakken te kopen om de stellingen mee te bouwen.*

De eerste dagen gaan rustig voorbij. Er wordt wacht gelopen, elke dag begint met een uur exercitie, ze houden alarmoefeningen en elke zaterdag maken de secties van Zeerust een mars van 15 kilometer door het Westland. Men leert elkaar kennen en de soldaten krijgen vertrouwen in hun meerderen.

Er wordt veel naar huis geschreven en er komt veel post terug. De post is veldpost geworden, de familie thuis mag niet meer ‘Hoek van Holland’ als locatie op de enveloppen schrijven, maar moet er ‘veldpost’ op zetten: de gemobiliseerden zijn nu ‘ergens in Nederland’. Alleen gaat dit de meesten niet snel genoeg, de post doet er soms 3 weken over, dus zet het thuisfront, ‘om het Tante Pos gemakkelijk te maken’ toch ‘Hoek van Holland’ achter ‘veldpost’.
De mannen maken zich zorgen om moeder de vrouw, degenen met een eigen zaak maken zich zorgen om het blijven draaien ervan, ze willen te pas en te onpas verlof. Zo heeft elke sectie zijn ‘vaste klantjes, die regelmatig onder allerlei voorwendsels om verlof komen vragen’.
Op 20 april komt het bericht dat werkloze vrijwilligers opgeroepen worden om mannen die onmisbaar zijn op het werk te vervangen. Deze kunnen een verzoek indienen om groot verlof. Het regent verzoeken, maar na onderzoek van de luitenants blijkt dat alleen de seizoenswerkers in aanmerking komen.

De eerste weken op Zeerust zijn erg onaangenaam en moeilijk, zo schrijft Waalwijk. De behuizing van soldaten voldoet niet, is te klein, en dit beïnvloedt niet alleen het humeur van de soldaten, maar ook de uitvoering van de dienst. Tevens ligt Zeerust te ver van de Hoek of ‘s-Gravenzande om de soldaten te veel bewegingsvrijheid te geven voor het geval zich een alarmsituatie voor zou doen, en moeten zij hun vertier ‘s-avonds op het kamp zoeken.
De kapitein krijgt toestemming van generaal van Andel, bevelhebber van de Vesting Holland, om tien huisjes te vorderen om de soldaten behoorlijk in onder te brengen. De eigenaren van de huisjes krijgen hiervoor een wekelijkse kleine vergoeding van fl 10, maar zijn het daar niet mee eens omdat normaal 15 tot 40 gulden per week huur wordt gevraagd. Er steekt een storm van protest op en Waalwijk en van de Poel worden overspoeld met verzoeken om toch vooral op de beslissing terug te komen. De kampeerdersvereniging Rotterdam aan Zee probeert de compagnie zelfs van Zeerust af te krijgen, helemaal als die vergoeding tot fl. 1, 40 teruggebracht wordt, maar dit krijgen ze niet voor elkaar.

Sowieso is de situatie op Zeerust een aparte te noemen, omdat men tussen burgers zit. Die bemoeien zich met alle militaire aangelegenheden, elke toespraak, en het voorlezen van orders, zodat ze met de secties de duinen in moeten als er iets belangrijks behandeld wordt.
Regelmatig komen er dames van de Vrouwelijke Vrijwillige Hulp Rotterdam, en van hen krijgen ze damspellen, lectuur, sjoelbakken en zelfs een koffergrammofoon.

De vier 1e luitenants brengen, samen met hun aanhang, in mei en juni 1939 elke avond een bezoek aan het pension Sunny Home aan de Paviljoensweg. Hier bespreken ze de toestand, de manschappen, het gebrek aan materiaal, maken ze plannen, en smeden ze vriendschappen die na de mobilisatie voortduren. Ze worden er zeer gastvrij ontvangen door de uitbaatster (er hangt een touwtje uit de brievenbus waardoor ze altijd naar binnen kunnen lopen) en zijn er tot in de vroege uurtjes welkom. Een enkele keer lukt het overste van Leeuwen, de positiecommandant, om ze naar hotel Hoek van Holland van van Nielen te lokken, waar ze graag naar zijn verhalen over zijn diensttijd in Indië en avonturen op oorlogsschepen luisteren.
Ook de officieren van de Mariniers en een enkele van de Kustartillerie zijn regelmatig in Sunny Home te vinden. Waalwijk noemt Sunny Home in de herinneringen het ‘middelpunt van de B.O.-U.V’.

Sunny Home. © Archief Stichting Maasmond

Sunny Home. © Archief Stichting Maasmond

Zo verlopen de eerste paar maanden van de voormobilisatie. Enkele andere gebeurtenissen in deze maanden zijn:

  • De minister van defensie, dr. van Dijk, komt op 17 april op bezoek in de Hoek, ‘Maar geen bijzondere maatregelen, alles gaat gewoon door’.
  • Koningin Wilhelmina en Prins Bernard brengen op 28 april een officieus bezoek aan de Hoek.
  • Op 31 mei verhuist de 4e sectie van van Nielen ook naar het kamp van de Mariniers aan de Langeweg.

*De opdracht ‘vervaardigen van gevechtsdekkingen etc’ heeft meer dan een jaar in beslag genomen. De opstellingen van de Compagnie waren dan ook, door allerlei stagnaties, niet klaar op 10 mei 1940. Nadat de alarmtoestand was ingegaan op 7 mei, stond het werk aan de stelling stil, terwijl er nog veel gedaan moest worden. Schuilloopgraven in het barakkenkamp waar ze verblijven (in het Vinetaduin, dat in november 1939 gereedkwam) ontbraken, daar was niet eens hout voor. Door een ‘bekrompen beleid’ beschikten ze in de voorafgaande maanden niet over spijkers en carbolineum. Daardoor lag hout te verrotten dat door de strenge winter van ’39/’40 niet gebruikt kon worden.

Enigszins cynisch is hier in het verhaal aan toegevoegd: ‘maar het geheele jaar zouden wel redevoeringen worden gehouden waarin steeds viel te beluisteren: Nederland is paraat’.

Ook een seinpistool en seinpatronen, waarmee de patrouilles bij gevaar de positie moest alarmeren, en die volgens de mobilisatie instructies in het bezit van de compagnie moest zijn, hebben zij nooit gehad, ondanks tientallen brieven en persoonlijke bezoeken aan de Directie Materieel Landmacht en de Artillerie-inrichting Hembrug.
En ze hadden wel een mitrailleurhersteller, maar die had weer geen gereedschap….


Bron:

H.J. Waalwijk, C. de Jong, W.J. van de Poel, Herinneringen aan de 15e Reserve Grens Compagnie. Den Haag, december 1940.

Foto’s uit het album van 1e reserve Luitenant W.J. van de Poel

Advertenties